In een ondiepe poel, diep in het bos,
leefden vele kikkers er vrolijk op los.
Maar nadat daar, tussen die bomen,
het kikkerdril was uitgekomen,
was het uit met hun geluk.
Het werd er veel te druk.
‘Gaan jullie maar verhuizen,’ riep de oudste kikker,
‘ik ben ouder en wijzer en groter en dikker.’
De jonkies riepen: ‘Ouwe, heb jij effe pech,
de jeugd heeft de toekomst, wij gaan hier niet weg.’
‘Misschien moet we loten,’ zei een kikker kordaat.
‘En wie het getal raadt… die gaat!’
Maar de anderen konden zich in dát plan niet vinden
Ze begonnen zich vreselijk op te winden
‘Oké, oké,’ riep de oudste kikker toen,
‘we gaan naar de uil, die weet wat te doen.’
De uil luisterde, draaide verheugd met zijn kop,
en slokte het probleem, op zijn eigen wijze op.
